Engelse woordvolgorde

Lesson #1543
⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

Vind je het lastig om een Engelse zin in de juiste volgorde te zetten? Dat is heel normaal! In het Nederlands zijn we nogal vrij: we zetten de tijd of de plaats vaak vooraan, middenin of achteraan.

In het Engels is de grammatica veel strenger. De volgorde ligt bijna altijd vast. Als je de onderstaande “trein” onthoudt, zit je bijna altijd goed.

De uitgebreide regel: Wie + Doet + Aan wie + Wat + Waar + Wanneer

Je kende misschien de basisregel (Wie doet wat waar wanneer) al, maar wat als je iets aan iemand geeft of vertelt? Dat noemen we het meewerkend voorwerp.

In het Engels geldt daarvoor een simpele regel: De mens komt voor het ding.

Je noemt dus eerst degene aan wie je iets geeft, en daarna pas wat je geeft.

Dit is de vaste volgorde:

  1. Wie (Onderwerp)
  2. Doet (Werkwoord)
  3. Aan wie (Meewerkend voorwerp / Mens) > Let op: Zonder ‘to’!
  4. Wat (Lijdend voorwerp / Ding)
  5. Waar (Plaats)
  6. Wanneer (Tijd)

Let op: In het Engels komen Plaats en Tijd bijna altijd achteraan. En ook hier is de volgorde belangrijk: eerst WAAR, dan WANNEER (Plaats voor Tijd).

Voorbeelden

Kijk eens hoe deze zinnen zijn opgebouwd. Zie je dat de persoon (aan wie) steeds vóór het ding (wat) staat?

1. Wie2. Doet3. Aan wie4. Wat5. Waar6. Wanneer
Shegavehima presentat the partyyesterday.
The teachertaughtusEnglishat schoollast week.
Iwill showyouthe photosin my roomlater.
Heboughthis motherflowersat the marketthis morning.
Wesenttheman emailfrom the officean hour ago.

Wat als je het omdraait?

Wil je toch liever eerst het ding noemen en dan pas de persoon? Dat mag alleen als je het woordje to of for gebruikt.

  • Standaard: I gave him the book. (Makkelijkst!)
  • Met nadruk: I gave the book to him.

Samenvatting

Wil je een foutloze Engelse zin schrijven? Check dan altijd of je woordjes in deze volgorde staan:

Wie \ Doet \ Aan wie \ Wat \ Waar \ Wanneer

Zie ook: Woordvolgorde Engelse zinnen

Let op: de plaats van bijwoorden is in de Engelse zin soms ook anders dan in het Nederlands, met name bijwoorden van frequentie.

Exercise 1

Exercise 2